Ruimtelijke en temporele aspecten van de duinvoetdynamiek : doelsubsidie project Veerkracht
De huidige studie is uitgevoerd in het kader van de doelfinanciering V&W met als onderwerp `Veerkracht van de kust'. In de berekeningswijze van de veerkracht (Baan et al , 1999) wordt gebruik gemaakt van een parameter die de dynamiek in de duinvoetpositie voor een kustraai beschrijft. Hierbij wordt onder dynamiek de fluctuaties ('veerkracht') van de duinvoet rond een trend verstaan. Baptist & Van den Boogaard (2000) stellen voor om 1 .96*standaard deviatie (a) van de residuen te gebruiken als parameter voor de dynamiek van de duinvoet. Voorts constateren zij dat de duinvoetdynamiek langs de Noord-Hollandse gekenmerkt wordt door bepaalde perioden, in de orde van 12 tot 15 jaar, orde 30 tot 40 jaar, en rond de 55 jaar. Het is echter onduidelijk in hoeverre deze dominante periodes ook daadwerkelijk statistische significant zijn en wat hun relatieve belang is. Verder beschouwden Baptist & Van den Boogaard (2000) alle raaien afzonderlijk, daarbij de eventueel aanwezige ruimtelijke samenhang in duinvoet dynamiek verwaarlozend. De voorliggende studie richtte zich op het bepalen van bovengenoemde ruimtelijke en temporele aspecten van de duinvoet dynamiek. Hierbij werd verondersteld dat het morfologisch gedrag van de duinvoet bestaat uit een trend en een residu, waarbij het residu kan worden onderverdeeld in een kustlangs uniform en een kustlangs niet-uniform deel. Het uniforme deel (2D-gedrag) hangt samen met stormen, het kustlangs niet-uniforme deel (3D-gedrag) hangt samen met strandzandgolven. Om deze hypothese te toetsen is voor drie kustgebieden de morfologische dynamiek van de duinvoet geanalyseerd. Het betreft de kustvakken Noord-Holland en Rijnland langs de gesloten Hollandse kust en het kustvak Walcheren langs de open Zeeuwse kust.