Breedte van klasse V vaarwegen : dimensionering van de bermstrook op basis van scheepsbestuurbaarheid : verslag bureaustudie
Op basis van waarnemingsmateriaal uit de WL onderzoeken M782 (Duwvaart in kanalen) en M1115 (Aantasting van dwarsprofielen in vaarwegen) is onderzocht hoe breed bermstroken (het stuk van de vaarweg tussen vaarstrook en oever) moeten zijn. Een voor de bermstrookbreedte belangrijke vaarsituatie is beoordeeld: het gedurende langere tijd ( 10% van de tijd) aan de walzijde van de vaarstrook varen. Dit komt voor tijdens ontmoetingen en oploopmanoeuvres. Voor de kwantitatieve beoordeling is het stuurgedrag onder invloed van de optredende oeverzuiging bepaald en weergegeven in termen van stuurreserve en mogelijke koersstabiliteit. De oeverzuiging wordt voornamelijk bepaald door de geometrie van het schip en de oever, door de afstand tot die oever en door de vaarsnelheid. Het blijkt, dat voor klasse 5 vaarwegen en klasse V schepen weinig toepasbare waarnemingen in de WL-onderzoeken te vinden zijn. Algemene conclusie: met het oog op de bestuurbaarheid van een (klasse V) schip moet een "bermstrook" (tussen zijkant schip en oever) ter breedte van 0,5B (halve scheepsbreedte) worden aangehouden. E.e.a. geldt bij een vaarsnelheid van maximaal 3,5 m/s, een waterdiepte van tenminste 1,2 maal de diepgang van het schip, en een vertikale oever.
- Datum rapport
- 1 november 1991
- Auteur
- Waterloopkundig Laboratorium (WL); J.H. de Jong en A. Boogaard
- Uitgever
- Waterloopkundig Laboratorium (WL) = Delft Hydraulics Laboratory.
- Annotatie
-
17, 15 p.
ill.
Rapport Q880 deel V
Onderzoek in opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat (RWS), Dienst Verkeerskunde (DVK) t.b.v. Commissie Vaarwegbeheerders (CVB), Werkgroep Klasse V (WKV)
Projectbegeleiding T. Dijkhuis - Documentnummer
- 185522