Waterloopkundig systeemonderzoek Noordelijk Deltabekken : rivierprofilering grondkribben, geulen en kuilen en trapjeslijn verslag bureaustudie
In relatie tot de huidige bodemontwikkleing in de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas zijn vragen geformuleerd die betrekking hebben op het beheer van het Noordelijk Deltabekken, met name op de verziltingsproblematiek. De vragen zijn : wat is doen grondkribben, geulen en/of kuilen en de trapjeslijn op de inhomogene waterbeweging in het Noordelijk Deltabekken. Een algemene karakterisering wordt gegeven van het estuarium, aangevuld met de specifieke kenmerken. Er is onderscheid gemaakt in mikroskopische effekten t.g.v. lokale fysische mechanismen en makroskopische effekten gekoppeld aan de specifieke kenmerken van het totale systeem. Op basis van bovengenoemde verdeling is het effekt van grondkribben beschreven in algemene termen. Vanuit de fysische mechanismen is de invloed van grondkribben op ruwheid en menging gekwantificeerd. Vervolgens is het effekt van grondkribben in kwalitatieve zin uitgewerkt voor het Noordelijk Deltabekken. Op gelijksoortige wijze is de invloed van geulen en kuilen en trapjeslijn onderzocht. Het is aannemelijk gemaakt dat bij laatstgenoemde fenomenen geen bijzondere fysische processen optreden die van signifikante invloed zijn op het makroskopische systeem en die nog niet in het systeemonderzoek zijn gevangen.
- Datum rapport
- 1 januari 1988
- Auteur
- G.M. Moser; [Waterloopkundig Laboratorium; in opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat], Rijkswaterstaat, directie Benedenrivieren
- Uitgever
- Waterloopkundig Laboratorium (WL) = Delft Hydraulics Laboratory.
- Annotatie
-
fig. ; 30 cm
Z245. - Met lit. opg. - Documentnummer
- 229164