Basisstochasten BOI2023 : statistiek en statistische onzekerheid
Dit rapport beschrijft de statistische gegevens die ten grondslag liggen aan de hydraulische belastingen voor de beoordeling en het ontwerp van primaire waterkeringen in Nederland. Het vormt een bouwsteen voor de hydraulische belastingen die binnen het nieuwe Beoordelings- en ontwerpinstrumentarium van 2023 (BOI2023) zijn bepaald en beschikbaar gesteld aan waterbeheerders voor de beoordeling en het ontwerp van hun primaire waterkeringen. De gerapporteerde statistieken geven aan hoe groot de kans voor een bepaald zichtjaar is op extreme waarden van bepaalde basisstochasten zoals rivierafvoer, zeewaterstand, meerpeil en windsnelheid. Deze stochasten bepalen gezamenlijk de hydraulische belasting op dijken, kades en andere waterkeringen.
Ten opzichte van de vorige beoordelingsronde (LBO-1) is de meeste statistiek geactualiseerd. Het zichtjaar voor de beoordeling is opgeschoven van 2023 naar 2035. Voor de rivierafvoer van de Rijntakken en de Maas is deze opnieuw afgeleid met een verbeterd model dat rekening houdt met overstromingen in Duitsland en België. Bij extreme situaties vallen de berekende afvoeren daardoor lager uit dan voorheen. Voor het IJsselmeer en Markermeer liggen de meerpeilen ook wat lager, doordat rekening is gehouden met de uitbreiding van de spui- en pompcapaciteit bij de Afsluitdijk die momenteel wordt gerealiseerd. Voor de zeewaterstanden langs de kust is voor het eerst gebruik gemaakt van een combinatie van ruim 8.000 jaar gesimuleerde weerdata en historische meetgegevens, wat betrouwbaardere schattingen oplevert met een kleinere onzekerheidsband. De windstatistiek voor de kust is door het KNMI vernieuwd op basis van ruim 8.000 jaar aan gesimuleerde weerdata, en is geldig voor een set offshore referentielocaties. Dit ter vervangen van eerdere statistieken op basis van metingen die nog beïnvloed werden door de nabijheid en ruwheid van het land. Voor het ontwerp van waterkeringen is overgestapt naar de nieuwste KNMI'23-klimaatscenario's, waarbij de ontwerphorizon verschuift naar 2075 en 2125. De daarbij gehanteerde zeespiegelstijging en toename van rivierafvoeren zijn hoger dan in de vorige ronde.
Naast de beste schatting van extreme waarden is ook de bijbehorende statistische onzekerheid expliciet meegenomen. Meetreeksen zijn beperkt van lengte, waardoor er een marge zit op elke schatting. Door die marge te verwerken in de probabilistische berekeningen ontstaat een robuuster beeld van de daadwerkelijke veiligheid van waterkeringen.
Het rapport beschrijft ook de faalkansen van de grote stormvloedkeringen, zoals de Maeslantkering, de Oosterscheldekering en de Hollandsche IJsselkering. Geactualiseerde faalkansen en voorspelonzekerheden zijn meegenomen in de belastingberekeningen voor de gebieden die door deze keringen worden beschermd. Het rapport bevat tot slot enkele aanbevelingen voor verdere verbetering van methoden en statistiek in toekomstige beoordelingsronden.
Tot slot wordt opgemerkt dat lopend onderzoek vaak nog niet is geland in de gepresenteerde statistieken. Dit omdat is gekozen deze uitsluitend te baseren op afgerond onderzoek. Als gevolg daarvan is de nieuwe kennis naar aanleiding van het zomerhoogwater van 2021 op de Maas nog niet (volledig) in BOI geland.
- Auteurs
- Kuiper, B., Caspers, J.
- Datum rapport
- 12 juli 2026
- Auteur
- HKV Lijn in water
- Uitgever
- Rijkswaterstaat, Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS WVL)
- Annotatie
-
Versie 2.1
Projectnr. HKV PR5612.10