Hydro-morfologische systeemkennis Kom van de Oosterschelde
De Kom van de Oosterschelde onderscheidt zich door een relatief grote verscheidenheid in hoogteligging en kent daarmee een minder monotone hoogteverdeling dan de Roggenplaat en de Galgeplaat. Tegelijkertijd is het reliëf lokaal overwegend zeer vlak: het grootste deel van de Kom heeft een gemiddelde helling van circa 1:700 en een mediane helling van 1:500, wat kenmerkend is voor intergetijdengebieden. De bodemontwikkeling in de Kom is overwegend stabiel tot matig erosief (orde 0,1-1,3 cm/jaar). Uitzonderingen hierop vormen het meest noordelijke en het zuidwestelijke deelgebied, waar lokaal sprake is van enige aanzanding (orde 0,1-0,4 cm/jaar). De grootste intergetijdengebieden bevinden zich in het Verdronken Land van Zuid-Beveland en het zuidwestelijke deelgebied. Deze gebieden herbergen ook het grootste aandeel relatief hooggelegen areaal met een droogvalduur van 50–80%, samen goed voor respectievelijk 77% en 19% van het totale areaal met een droogvalduur van 50-80% in de Kom in 2024. Het noordwestelijke deelgebied, Hooge Kraaijer en Bol van Lodijke, allemaal omringd door geulen, liggen daarentegen laag waardoor zij vrijwel geen areaal met een droogvalduur van 50-80% hebben. Met name de Bol van Lodijke valt tegenwoordig nauwelijks nog droog. Wanneer een iets ruimere definitie wordt gehanteerd van de voor vogels meest waardevolle hoogteligging (40-80% in plaats van 50-80% droogvalduur), blijkt het bijbehorende areaal in sommige deelgebieden, zoals de Speelmansplaten, substantieel groter. Dit suggereert dat ook deze gebieden mogelijk een belangrijke bijdrage leveren aan de foerageerhabitat.
- Auteurs
- Vermeer, N., Vet, L. de
- Datum rapport
- 26 juni 2026
- Uitgever
- Deltares
- Annotatie
-
In opdracht van Rijkswaterstaat Zee en Delta (RWS ZD)
- Documentnummer
- 11212800-003-ZKS-0001