Het voorkomen van gechloreerde dioxines en dibenzofuranen op rioolwaterzuiveringsinstallaties
Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat het chloren van effluenten geen aantoonbare bijdrage vormt aan de belasting van oppervlaktewateren met PCDD en PCDF. Ook in het influent zijn deze stoffen niet of nauwelijks aantoonbaar, maar desalniettemin wel in dusdanige concentraties aanwezig dat het zuiveringsslib gemiddeld 15- 30 ng/kg droge stof aan 2,3,7,8-TCDD-equivalenten bevat. Het toepassen van zuiveringsslib op grasland moet afgeraden worden, omdat als norm voor grasland momenteel een gehalte van 10 ng 2,3,7,8- TCDD-equivalenten/kg droge stof voorgesteld wordt. Andere beperkende maatregelen met betrekking tot gebruik en verwerking van zuiveringsslib worden niet noodzakelijk geacht. Het vermoeden bestaat dat voor de verontreiniging van het zuiveringsslib een min of meer gemeenschappelijke diffuse bron verantwoordelijk is. Een nadere kwantificering van de bronnen voor PCDD en PCDF en een daaraan gerelateerd bestrijdingsbeleid strekt tot aanbeveling.
- Datum rapport
- 1 januari 1988
- Auteur
- Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat Dienst Binnenwateren/RIZA (RWS, DBW); H.B. Pols
- Uitgever
- Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Dienst Binnenwateren (RWS, DBW).
- Annotatie
-
14 [18] p.
tab. ; 30 cm
Nota nr. 88.004. - Lit.opg. - Documentnummer
- 196223